Er zijn in de loop der jaren tientallen biografieën van Liszt verschenen, maar er werden maar weinig boeken gepubliceerd die uitsluitend handelen over de vele componenten waaruit zijn muziektaal bestaat. Het was dan ook geen geringe prestatie van de musicoloog en componist Serge Gut, jaren lang hoofd van de faculteit muziekwetenschap van de Sorbonne, om in 1975, toen Liszt en zijn oeuvre nog lang de populariteit niet hadden die zij thans genieten, uit te komen met een boek waarin uitsluitend gesproken wordt over de ‘éléments du language musical’. Dit standaardwerk, met een voorwoord van Jacques Chailley, is na ruim dertig jaar in een herziene en vermeerderde druk opnieuw uitgegeven bij Zurfluh (ISBN 978-2-87750-114-9). Het boek telt vier delen, tezamen 39 hoofdstukken. Het eerste deel,‘Données de Base’ (Basisgegevens) telt drie hoofdstukken. Het eerste handelt over de verschillende algemene invloeden die Liszt gedurende zijn leven onderging en heeft wat weg van een korte biografische schets. In het tweede hoofdstuk wordt meer in detail ingegaan op de invloed van Bach, Beethoven, Schubert, Weber, Berlioz en Wagner op Liszts stilistische ontwikkeling en zegt ook iets over de verschillende scholen die in de 19de eeuw heersten (de Franse School, de Russische School etc.).
Het tweede deel gaat in op ‘Les éléments mélodiques’. In zeven hoofdstukken wordt de lezer ingevoerd in onderwerpen als ‘Liszt en de modaliteit’, ‘Pentatoniek’, ‘De heletoonstoonladder’ en ‘Liszt en de dodecafonie’. Wat betreft dat laatste onderwerp – het is Guts mening, dat Liszt, ook al gebruikte hij in enkele thema’s onbewust alle twaalf tonen van de toonladder, altijd tonaal is blijven denken en zijn muziek dus absoluut niet serieel is in de zin zoals die in de 20ste eeuw is gebruikt.
In het derde deel wordt diep ingegaan op de harmonische aspecten van Liszts stijl, zoals
- het belang van het interval de kwint en zijn omkering de kwart (is het choquerende thema van Malediction niet een opeenstapeling van kwarten?)
- de overmatige drieklank, een bij Liszt frequent voorkomende samenklank (wat samenhangt met het gebruik van de bovengenoemde heletoonstoonladder)
- en parallel gevoerde septiem-akkoorden, een kenmerk van Debussy’s harmoniek maar bij Liszt al regelmatig voorkomend.
In het vierde deel, ten slotte, wordt ingegaan op de ritmiek en vaak zeer vrije metriek bij Liszt (hij loopt hierin soms vooruit op Messiaen), en de invloed die de zigeunermuziek daar op had.
Besloten wordt met een ‘Catalogue complet des oeuvres musicales’. Deze werd al gepubliceerd in Guts biografie Liszt (1989), waarvan overigens binnen niet al te lange tijd een Duitse versie zal uitkomen, maar verschijnt hier nu gereviseerd en bijgewerkt tot op de dag van vandaag. Door zijn heldere schrijftrant en uitzonderlijke analytische vermogen is Serge Gut erin geslaagd tot de kern van Liszts muziektaal door te dringen. Aan de hand van honderden notenvoorbeelden worden alle aspecten daarvan belicht en rationeel, ontdaan van cliché-denken en napraterij, omschreven en verklaard. Het boek veronderstelt een goede muziektheoretische ondergrond en is, zoals uit de omschrijving blijkt, eerder gedacht voor de beroepsmusicus dan voor de muziekliefhebber. Maar wie Liszts stijl ten volle wil exploreren heeft hier een standaardwerk in handen, dat hem niet zal teleurstellen.
Albert Brussee